download het pdf-bestand

BRANDBRIEF van het Philippine International Forum

februari 2004

De Filippijnen zijn opgenomen in de 'war on terror' vanwege de puur binnenlandse conflicten met de NPA en de MILF. Beide gewapende verzetsbewegingen wortelen in algemene grieven zoals landloosheid, gebrek aan democratie en schendingen van de mensenrechten en hebben een grote achterban; zij zijn de belangrijkste doelen in de Filippijnen van de 'international war on terror'.

INLEIDING

Het Philippine International Forum (PIF) is een netwerk van buitenlandse ingezetenen in de Filippijnen van verschillende nationale en etnische herkomst met verschillende achtergrond, overtuiging, levensbeschouwing en geloof, die zich solidair voelen met de Filippino's in hun streven naar gerechtigheid, vrede en zelfbeschikking. Toen de grondleggers van de PIF in 1985 met hun werk begonnen, spraken zij af, samen te werken om hun solidariteit met de Filippino's te verdiepen, met name door de banden met hun thuislanden te ontwikkelen. Het lange termijn doel van de PIF is de omstandigheden te creëren die nodig zijn voor de echte ontwikkeling van het volk en voor de vrede.

Vanwege hun kennis uit de eerste hand en hun ervaring met de Filippijnen en ook door hun professionele expertise en ervaring in hun landen van herkomst, verkeren de buitenlandse ingezetenen in een unieke positie om gebeurtenissen te verklaren voor de mensen in hun land en daar de publieke opinie te mobiliseren en internationale hulp te organiseren voor de mensenrechten, de duurzame ontwikkeling, de vredesinspanningen en andere initiatieven van het Filippijnse volk. Op dit moment bestaat het netwerk van de PIF uit zo'n 150 kerk- en ontwikkelingswerkers.

De doelstellingen van de PIF zijn:

De PIF organiseert een jaarlijkse conferentie, waar actuele kernvraagstukken in de Filippijnen aan de orde komen. Elk jaar nemen dertig tot zestig mensen deel aan die conferenties. Bovendien heeft de PIF halfjaarlijkse en driemaandelijkse regionale of subregionale discussiegroepen waar nationale of lokale onderwerpen worden besproken, zoals militarisering en mensenrechtenschendingen, milieu (mijnbouw, houtkap, de bouw van stuwdammen), economische globalisering en de negatieve gevolgen daarvan voor de mensen, natuurlijke rijkdom en economie en de seksuele uitbuiting van vrouwen en kinderen. De regionale of subregionale bijeenkomsten vormen de basis voor hulpacties. De steunacties variëren van specifieke foto- en videoproducties tot internationale brieven en petities, van deelname in piketten, tot artikelen in lokale en internationale kranten.

De zorgvuldig onderbouwde en wijd verspreide Letter of Concern from U.S. Missioners in the Philippines to the Christian Churches of the United States: A Call for Solidarity uit 1986 die in 1988 gevolgd werd door A Time of Reckoning: The United States Military Bases in the Philippines and Global Responsibility for Justice, Peace and Dignit zijn zeer effectief gebleken om ongeïnformeerde mensen en groepen te bereiken. De brief maakte melding van de blijvende en negatieve rol van de militaire bases van de VS in de Filippijnen en van de voortdurende militaire betrokkenheid van het Amerikaanse leger in Filippijnse aangelegenheden.

Dit jaar, 2004, is er weer grote behoefte aan een nieuwe 'brandbrief' vanwege de toenemende militarisering van de Filippijnse eilanden en deze keer onder het voorwendsel van de 'war on terrorism'. We hopen dat onze lezers de tijd zullen vinden om te begrijpen wat de oorlog van de VS betekent voor hen die hun mensenrechten en minimale bestaansvoorwaarden proberen te verdedigen. Wij vragen u na lezing van deze brief de inhoud daarvan met anderen te delen en deel te nemen aan solidariteitsacties die zullen bijdragen aan echte vrede en de wurggreep van de plannen van de supermacht voor duurzame economische en militaire overheersing zullen doen verslappen.

1. EEN GESCHIEDENIS VAN ONDERDRUKKING, UITBUITING EN STRIJD

“The Philippines is an 'independent' country that is not sovereign, a 'democratic' country whose people are not free, a state that is not yet a nation, a rich land filled with poor people.” Senator Jose W. Diokno

Toen de Spaanse conquistadores in 1521 voet aan wal zetten in wat nu de Filippijnen zijn, trad het land binnen in het tijdperk van globalisering en daarmee ook in de moderne geschiedenis. Het was tegelijk een geschiedenis van onderdrukking en uitbuiting die tot op de dag van vandaag voortduurt. Archeologische vondsten tonen aan dat de Filippijnen een geschiedenis hebben van 20 tot 30 duizend jaar toen grote delen van Zuidoost-Azië nog door land omsloten waren -- een feit dat zelden voorkomt in de geschiedenisboeken.

Toen de Spanjaarden in de 16e eeuw arriveerden, had de islam zich al op het zuidelijke eiland Mindanao gevestigd. Hier bestonden de privé rijstlanden van de Sultan zij aan zij met de gemeenschappelijke rijstlanden van de inheemse stammen. Slavernij bestond ook nog, maar de maatschappelijke verhoudingen waren in overgang naar een feodaal pachtsysteem. Op de andere eilanden leefden de stammen in een meer gemeenschappelijk systeem. Er bestonden al handelsbetrekkingen met de Arabische landen en met China en Borneo en de vrouwen bezaten een belangrijke plaats in de stamstructuren.

DE OPKOMST VAN HET FEODALISME

De invoering van de private eigendom en het katholicisme door de Spaanse kolonisten veranderden de Filippijnse samenleving volkomen. De gemeenschappelijke gronden van de stammen werden geconflicteerd en omgevormd in haciendas die bezit waren van de Kerk. Boeren werden pachters of landarbeiders in dienst van een kloosterorde. De vrouwen mochten zich alleen nog maar met het huishouden bemoeien.

Om hun controle over de eilanden te versterken, kweekten de Spanjaarden een elite die voornamelijk bestond uit Spaans-Filippijnse mestizos (halfbloeden) en omgekochte stamhoofden. Door de Kerk gecontroleerde scholen leidden deze klasse op. Enkelen van hen werden zelfs naar Spanje gestuurd om verder te leren.

Hoewel verzet tegen het koloniaal regiem genadeloos werd vermorzeld, lukte het de conquistadores niet om grote delen van Mindanao, Bohol, Samar en sommige delen van het binnenland in het noorden van Luzon onder controle te krijgen. Het verzet tegen de koloniale heerschappij was hevig. Moro- en boerenopstanden kwamen veelvuldig voor. Aan het eind van de 19e eeuw begonnen de lokale elites, de principalia, zich te organiseren tegen Spaanse koloniale heersers. In 1896 begon een revolutie voor nationale bevrijding, die geleid werd door Andres Bonifacio de oprichter van de Katipunan (vergadering, assemblee).

DE REVOLUTIE VERRADEN

Tegen de zomer van 1898 hadden de Filippijnse revolutionairen de Spanjaarden van het platteland naar de hoofdstad Manilla verdreven, waar zij de voormalige heersers belegerden. Het Amerikaanse leger maakte echter gemene zaak met de Spanjaarden. De Spanjaarden zouden zich overgeven in een schijngevecht in de Baai van Manilla. Na deze 'overwinning' namen de Amerikanen Manilla in, waarbij zij de leiding van Katipunan beloofden met hen een verbond tegen de Spanjaarden te zullen aangaan. Toen het Amerikaanse leger in februari 1899 het land vanuit Manilla begon te veroveren en te koloniseren, kwamen de Filippino's in verzet en raakten opnieuw in oorlog met kolonisators.

In het eerste jaar van die oorlog tegen de Amerikaanse kolonisatoren kwamen meer dan 700.000 mensen om, oftewel zo'n 10 procent van de bevolking, waaronder vrouwen en kinderen. Hele dorpen werden uitgemoord wegens 'hulp aan de rebellen'. Om het verzet te breken werden als regel voor elke dode Amerikaan tien Filippino's omgebracht. Maar de VS kreeg het land nooit geheel onder controle; lokale opstanden bleven de kop opsteken tot aan de formele onafhankelijkheid in 1946.

KADER 1:
VOLGENS ZEGGEN VAN DE INVALLERS

“Alleen God mag weten hoeveel Filippino's er onder de zoden liggen. Onze soldaten namen geen gevangenen, zij hielden geen staten bij; zij veegden het land eenvoudigweg schoon en iedere Filippino die zij tegenkwamen werd afgeslacht” (een anoniem congreslid van de VS).

“De Amerikaanse troepen wisten niet van ophouden, zij doodden om uit te roeien: mannen, vrouwen en kinderen, gevangenen en arrestanten, actieve verzetsmensen en verdachte personen, jongens vanaf tien jaar…, die zich met hun handen omhoog hadden overgegeven, werden een uur later, zonder schijn van bewijs van hun opstandigheid, op een brug gezet en een voor een neergeschoten om naar beneden in het water te vallen en weg te drijven op de stroom als voorbeeld voor hen die hun door kogels doorzeefde lijken zouden vinden.” (De voorpagina van de Philadelphia Ledger).

“Caloocan (in de buurt van Manilla) telde 17.000 inwoners. Het 20e Kansas kwam er overheen, en nu leeft er niemand meer.” (Een kapitein van het Amerikaanse leger uit Kansas).

“We hadden zin om te vechten en het enige wat we wilden was 'niggers' over de kling jagen… Dit neerknallen van menselijke wezens is veel leuker dan achter konijnen aanhollen.” (Een vrijwilliger uit Washington)

Bronnen: Daniel B. Schirmer & Stephen R. Shalom, editors. “The Philippines Reader. A History of Colonialism, Neocolonialism, Dictatorship, and Resistance” South End Press, Boston, 1987, p. 16; Roland G. Simbulan. “The Bases of Our Insecurity: A Study of the U.S. Military bases in the Philippines” BALAI Fellowship, Quezon City, 1983, p. 69

AMERIKAANS KOLONIALISME

De VS vormden de lokale regering uit dezelfde elite als die de Spanjaarden gediend had en zij organiseerden een onderwijssysteem om de kinderen van hen op te voeden in de 'American way of life' om de loyaliteit aan de kolonisators te verhogen. Al het land wat tot dan toe geen private eigendom was, werd tot publiek eigendom verklaard, waardoor de Filippijnse massa's beroofd werden van het land dat eeuwen lang door hun voorouders was bebouwd en gecultiveerd.

De Amerikaanse kolonisators versterkten de exploitatie van de natuurlijke rijkdommen van de Filippijnen door agricultuur, houtkap en mijnbouw; evenals de uitbuiting van de Filippijnse boeren en werkers.

De Amerikaanse bezetting van de Filippijnen werd tijdens de 2e Wereldoorlog, van 1942 tot 1945 toen Japan het land overheerste, korte tijd onderbroken. Toen de VS na de oorlog terug kwamen, waren grote delen van Luzon al bevrijd van de Japanner door het Filippijns verzet dat zich, onder leiding van de Communistische Partij Filippijnen (CPP), tegen Japan had georganiseerd in het Hukbalahap of het Volksleger. Terwijl vele verzetsstrijders werden afgeslacht door de teruggekeerde Amerikaanse troepen, werd de Filippijnse elite die met de Jappen had gecollaboreerd over het algemeen met rust gelaten en weer opgenomen in de regering.

VAN KOLONIE TOT NEO-KOLONIE

Kort na de 'bevrijding' van Japan verleenden de VS zogenaamd onafhankelijkheid aan de Filippijnen. Zij zorgden er echter wel voor dat de loyale lokale elite stevig in het zadel zat, dat de militaire bases van de VS in tact bleven en dat Amerikaanse bedrijven bijzondere voorrechten genoten.

Van een gewone kolonie werden de Filippijnen een neo-kolonie voor de productie van grondstoffen als boomstammen, landbouwproducten en mineralen voor de Amerikaanse industrie. Het land voorzag in goedkope arbeidskracht en werd een markt voor overtollige producten van Amerikaanse bedrijven. Ondanks zijn rijkdom aan natuurlijke hulpbronnen, moest het land na de oorlog enorme sommen geld lenen van internationale financiële instellingen voor de wederopbouw van zijn infrastructuur, ter financiering van nieuwe projecten en voor de aanvulling van tekorten.

De heersende klasse bleef over het algemeen zeer loyaal aan de VS. Zij pikte een graantje mee, beheerste de lokale handel en produceerde een deel van de voor de Amerikaanse industrie benodigde grondstoffen. Zij die aan de macht waren, verduisterden grote delen van de openbare middelen via schimmige projecten en andere vormen van corruptie.

Eind jaren zestig en zeventig groeide de oppositie tegen de regering aan onder de boeren, werkers en studenten die landhervorming, democratie en onafhankelijkheid eisten. In 1968 werd de CPP heropgericht en al een paar maanden later begon het Nieuwe Volksleger met zijn guerrillaoorlog op het platteland. Dit betekende een nieuwe fase in het Filippijns verzet tegen de buitenlandse overheersing en tegen het lokale bewind.

De heersende klasse voelde zich steeds meer bedreigd door de politieke onrust en President Marcos kondigde op 21 september 1972 het krijgsrecht af. De steun van de VS voor zijn bewind werd daardoor echter niet minder. Eerder vergrootte Washington de militaire en economische hulp aan de Marcos regering. Een rapport van de staf van de Senaat van de VS vat het zo samen: “... Military bases and a familiar government in the Philippines are more important than the preservation of democratic institutions which were imperfect at best.” De vice-president van de VS, George Bush, de vader van de huidige president, zou later, in 1981, een schandelijke toost uitbrengen op Marcos zeggend: “We love your adherence to democratic principles and to the democratic processes and we will not leave you in isolation.”

In de twintig jaar van het presidentschap van Marcos, inclusief de tien jaar van het krijgsrecht, werden tienduizenden mensen het slachtoffer van slachtingen, standrechtelijke executies, verdwijningen, illegale arrestaties, opsluiting, marteling en andere schendingen van de mensenrechten.

Zijn politiek maakte de economie nog meer afhankelijk van de export en van het buitenland en bracht het land aan de afgrond van een economische ineenstorting. In die jaren steeg de buitenlandse schuld van 2 naar 30 miljard dollar. Om meer buitenlands geld in de economie te pompen, ging Marcos over tot de export van arbeid en verleidde miljoenen Filippino's om in het buitenland te gaan werken. Sedertdien drijft de Filippijnse economie op inkomsten uit arbeid van Filippijnse werkers in het buitenland. Corruptie, vriendjespolitiek en nepotisme heersen alom en bijna alle ontwikkelingsprojecten blijken in evenzoveel rampen te verkeren voor het volk van de Filippijnen.

Ondanks het krijgsrecht groeiden zowel de legale als de gewapende oppositie snel, vooral na de moord op Benigno Aquino in 1983. In februari 1986 werd Marcos verdreven door een volksopstand, genoemd People Power, waarin miljoenen mensen de straat opgingen. Toen zijn regering viel, brachten de VS Marcos in veiligheid op Hawaii. Nog steeds zijn Marcos en zijn vrienden niet voor de rechter gekomen voor corruptie en hun misdaden tegen het volk. Een zoon en een dochter van hem bezetten nog steeds hoge posities in de regering.

VERWACHTINGEN NIET VOLDAAN

Na Marcos verwachtten velen heel wat van de regering van Corazon Aquino, want zij was tenslotte door een volksopstand aan de macht gebracht en de moord op haar echtgenoot had grote invloed gehad op de wijde verspreiding van het verzet tegen de dictatuur. De schendingen van de mensenrechten hielden echter niet op met de val van de militaire dictatuur. President Aquino erfde het militaire establishment wat zich gevormd had onder het regiem van Marcos, en haar regering gaf nog steeds voorrang aan de belangen van de elite en liet de oren hangen naar de dictaten van de VS.

Toch behaalde de brede, progressieve en nationale volksbeweging weer een overwinning in 1991, toen zij de Filippijnse Senaat er toe wist te brengen, het verdrag met de VS over de militaire bases niet te verlengen. De VS moesten twee van hun grootste overzeese militaire bases, Subic Bay en Clark Air Base, ontruimen. Dit nationalistische hoogtepunt in de geschiedenis van de Filippijnen leidde tot een verslechtering in de relaties met de VS, de voormalige koloniale meester. Deze bases hadden al dienst gedaan als aanvalsbasis, doorgangshuis, bevoorradings- en servicestation en als vakantieoord voor de troepen sedert de Boxeropstand in China van 1900 en later tijdens de oorlogen in Korea (1950-53), Vietnam (jaren '60) en in 1991 de Eerste Golfoorlog.

In de jaren negentig, vooral na de verkiezing van President Fidel Ramos in 1992, kreeg de Filippijnse regering steeds meer belangstelling voor de 'globalisering'. Privatisering, deregulering en liberalisering vormden de steekwoorden in de economische politiek. De opeenvolgende regeringen waren er rap bij om multilaterale en bilaterale verdragen die opgesteld waren of geëist werden door de VS te tekenen, waarbij zij de inhoud van de verdragen vaak verborgen hielden voor het publiek. Het besluit van de Filippijnen om lid te worden van de WTO bleek bijvoorbeeld een ramp te zijn voor de lokale landbouw-het land veranderde van een voedsel exporterend land in een voedsel importerend land, waardoor miljoenen banen in de landbouw verdwenen.

De verkiezing in 2000 van President Estrada, een gewezen filmheld en bewust rokkenjager, weerspiegelde de wanhoop van het Filippijnse volk aangaande het politiek systeem. Zijn regering bleek alras even corrupt en ongevoelig te zijn als de voorgaande, waardoor de ontevredenheid van het volk uitmondde in weer een andere massabeweging. Na een afgebroken rechtszaak werd Estrada in januari 2001 uit het presidentieel paleis gezet. Ten tweede male leerde het Filippijnse volk de wereld een les in 'People Power'.

Ondanks deze twee 'People Power' revoluties zijn de armoede en de uitbuiting van het Filippijnse volk niet verminderd, integendeel, die is nog verhevigd. De twee revolutionaire bewegingen, het Moro Islamitisch Bevrijdingsfront (MILF) en het Nationaal Democratisch Front van de Filippijnen (NDFP) zijn daarom ook blijven bestaan en gegroeid. De MILF is een afscheidingsbeweging die streeft naar de vestiging van een onafhankelijke islamitische staat. Het is geconcentreerd op Mindanao en opereert in gebieden waar het Moro volk in de meerderheid is. De moslims vormen ongeveer 7% van de totale bevolking.

Het NDFP, dat geleid wordt door de Communistische Partij van de Filippijnen, heeft daarentegen een nationale werking. Het Nieuwe Volksleger (NPA) met duizenden leden opereert volgens zeggen in 128 guerrillafronten in 823, oftewel ongeveer 54% van de gemeenten en 8500 'barrios', oftewel 18% van de dorpen in 70 van de 79 provincies. Het NDFP voert een strijd “om de politiek heerschappij van de VS en hun lokale bondgenoten in de Filippijnen te beëindigen en voor echte nationale bevrijding en democratie”.

In de Filippijnen bestaat ook een levendige en militante legale volksbeweging. Een myriade van volksorganisaties, van dorpsniveau tot brede nationale federaties brengen de eisen van het volk onder woorden: echte landhervormingen, eerbiediging van de mensenrechten, democratie, nationale bevrijding en andere verlangens van het Filippijnse volk, die al generaties lang leven.

2. MENSENRECHTEN EN VREDE NOG STEEDS EEN ILLUSIE

“Vrede groeit alleen op gerechtigheid. Vrede is de bloem van het recht. Slechts wanneer de regering er voor waakt, dat een ieder recht geschiedt, kan men spreken van een duurzame vrede. Wat zijn onze grote problemen? Het land is in handen van een kleine groep, de gezondheidszorg in de binnenlanden is armzalig en in de regering tiert de corruptie. We kunnen geen genoegen nemen met tijdelijke of oppervlakkige oplossingen.”

- Bisschop Antonio Y. Fortich

De afgelopen jaren zijn er onrustbarende ontwikkelingen aan de gang met betrekking tot de mensenrechten en de vrede in de Filippijnen. De wereld heeft de afgelopen jaren veel aandacht besteed aan de dictatuur van Marcos in de vorm van rapporten over standrechtelijke executies, verdwijningen, martelingen en opsluiting van leden van de politieke oppositie. Wanneer we terugkijken, dan zien we een verontrustende overeenkomst tussen de slechte staat van de mensenrechten van de Arroyo regering en die van Corazon Aquino die in februari 1986 de dictatuur van Marcos afloste.

Hoewel de regering van Aquino niet leidde tot dictatoriale methoden, vielen meer mensen dan onder haar voorganger ten slachtoffer aan bepaalde schendingen van mensenrechten. Toen zij opteerde voor 'het zwaard van de oorlog' in 1987, maakte President Corazon Aquino een einde aan het vredesproces met het NDFP, dat ze eerder was gestart en steunde zij de door de VS ontworpen politiek van 'totale oorlog', die de militaristen in haar regering voorstonden.

President Macapagal-Arroyo, die Joseph Estrada verving na diens verwijdering door 'People Power II', bewees ook lippendienst aan de beëindiging van de 'totale oorlog' van haar voorganger. Maar ze was nog niet aan de macht of ze keerde om als een blad aan een boom en liet zien, door de benoeming van de uitvoerder van Estrada's 'totale oorlog', generaal Angelo T. Reyes, tot Minister van Defensie, dat ze helemaal afhankelijk was van de militairen die haar aan de macht hadden gebracht.

SCHENDING VAN DE MENSENRECHTEN DUURT VOORT

De zucht naar oorlog in plaats van het verlangen naar vrede is de belangrijkste reden voor het nog steeds hoge aantal schendingen van de mensenrechten sinds het einde van de dictatuur van Marcos. Plaatselijke mensenrechtenorganisaties als KARAPATAN en 'Task Force Detainees of the Philippines' (TFDP) blijven studies en verklaringen uitgeven, die ingaan op de bijzonderheden van de mensenrechtensituatie in de Filippijnen. Zij tonen aan dat het merendeel van de mensenrechtenschendingen voor rekening komt van de gewapende macht van de Staat, hetzij het leger (AFP), hetzij de politie (PNP) of de door de regering gesteunde paramilitaire groepen, zoals de 'Civilian Armed Forces Geographical Units' (GAFU) en de 'Civilian Volunteer Organization' (CVO). Het was altijd de PNP die de meeste schendingen van mensenrechten voor zijn rekening nam in de statistieken van de regeringscommissie voor de mensenrechten (CHR), maar kort geleden heeft het leger de eerste plaats ingenomen en is nu voor 69% van de gevallen verantwoordelijk.

KADER 2:
VIER JONGEREN ONTVOERD BIJ DAVAO OP MINDANAO

Op 19 september 2003 werden vier jongeren ontvoerd, toen zij terugkeerden van een verjaardagsfeest. De oudste, Lito Doydoy, (24), zat in de organisatie van Anakbayan, een legale jeugdorganisatie, terwijl twee anderen, Marjorie Reynoso (18) en Jonathan Benaro (16) lid waren van de Sanggunian Kabataan, de jeugdorganisatie van de lokale overheid en van de Anak ng Bayan Jongeren Partij. De vierde, Ramon Regase (17) was de bestuurder van de motorfiets waarop ze reden. Zij kwamen allen uit Maco, Compostella Valley, Mindanao.

Drie dagen na de ontvoering, op 23 september, werden hun lichamen ontdekt in een ondiep graf. De mond van Marjorie was gedeeltelijk bedekt met tape en haar tong stak naar buiten. Zij had blauwe plekken in de nek en twee schotwonden in het hoofd. De drie jongens waren nog gekleed in hun ondergoed en hadden verschillende steekwonden. Het leger zei, dat de NPA dat gedaan had, hoewel zij steeds beweren dat de jongerenorganisaties deel uitmaken van het guerrillaleger. Getuigen en onafhankelijke experts zeggen daarentegen, dat de daders van deze ontvoering en buitenrechtelijke moord leden zijn van de militaire inlichtingendienst.

Het is verontrustend, dat de mensenrechtensituatie in de Filippijnen sterk is verslechterd onder het bewind van Arroyo, met name sedert zij zich enthousiast aangesloten heeft bij de 'war on terrorism' van Bush. Dat is ook internationale mensenrechtenorganisaties opgevallen, die hun zorg uitspreken over de voortdurende martelingen, het 'klimaat van straffeloosheid', de buitenrechtelijke executies, verdwijningen, willekeurige arrestaties en opsluitingen en de gedwongen overplaatsing van mensen van hun land en huis.

In januari 2003 kwam Amnesty International met een rapport over marteling door het Filippijnse leger en de politie. De conclusie klinkt niet vreemd in de oren van hen, die de gevangenis ten tijde van de krijgswet hebben overleefd: “De martelingen van de laatste jaren zijn hetzelfde als in de jaren '70 en '80: elektrische schokken, plastic zakken om gevangenen te verstikken, branden met sigaretten, slagen met vuisten, metalen buizen of geweerkolven, chilipepers in de ogen of genitaliën van de slachtoffers”. Amnesty gewaagt ook van de vooroordelen van de mensenrechtenschenders tegen de armen: “Zij die verdacht worden van het lidmaatschap van gewapende verzetsgroepen of daar sympathie voor hebben, kleine criminelen en mensen uit arme wijken, ook vrouwen en kinderen, lopen de meeste kans om gemarteld te worden…”

De bevindingen van Amnesty zijn bevestigd door de Wereldorganisatie tegen Marteling (OMCT), in een rapport van 20 oktober 2003 aan de VN over door de staat gesteund geweld in de Filippijnen. De OMCT verklaart, dat het gebruik van marteling nog even groot is als vroeger en dat vervolging en bedreiging van journalisten en verdedigers van mensenrechten op grote schaal plaats vindt.

Ook het Mensenrechten Comité van de VN heeft kortgeleden zijn bijzondere zorg uitgesproken over de mensenrechtensituatie in de Filippijnen en vooral over de straffeloosheid van de daders. Volgens het Comité worden de gerapporteerde gevallen van buitenrechtelijke executie, willekeurige opsluiting, vervolging, intimidatie en misbruik nooit onderzocht of vervolgd. “Een dergelijke situatie nodigt uit tot nog meer schendingen van de mensenrechten en schept een sfeer van straffeloosheid” staat in zijn verslag van 2003.

TOENEMENDE POLITIEKE ONDERDRUKKING

Openlijke repressie door de overheid neemt toe. Voor het eerst sedert jaren maakt Amnesty International in zijn Jaarlijks Rapport van 2003 gewag van politieke repressie in de Filippijnen: “Tenminste 28 leden van oppositiegroeperingen die kritisch staan ten opzichte van het regeringsbeleid zijn sinds 2001 omgebracht door overheidsdiensten. Vier leden van de Bayan Muna zijn 'verdwenen' en men vreest, dat ze vermoord zijn”. Volgens de Alliantie voor de Vooruitgang van de Rechten van het Volk (KARAPATAN) zijn 10 mensenrechtenwerkers omgebracht sedert het presidentschap van Arroyo in januari 2001. Bovendien zijn de kantoren van mensenrechtenorganisaties in Baguio, Butuan en General Santos City overvallen. KARAPATAN wijst er op dat het viseren van mensenrechtenwerkers, een kenmerk van de regimes van Marcos en Aquino, opgehouden leek te zijn in de jaren '90, maar weer is begonnen in de tijd van Macapagal-Arroyo.

Vooral op het eiland Mindoro, dat dient als een proefgebied voor de antiverzetscampagne van de regering, zijn veel politieke en maatschappelijke activisten vermoord. De Oecumenische Beweging voor Recht en Vrede (EMJP) zegt, dat op Oriental Mindoro 33 activisten, waaronder mensenrechten activiste Eden Marcella en de boerenleider Eddie Gumanoy, zijn vermoord. Zij maken deel uit van de 326 gevallen van mensenrechtenschendingen in de provincie in slechts twee jaar tijd, die betrekking hadden op 1219 personen en 575 gezinnen en waarvoor, volgens de EMJP, de 204e Infanterie Brigade, onder leiding van Kolonel Jovito Palaparan, verantwoordelijk is.

Toen zijn terreurbewind op Mindoro publieke weerstand kreeg en hij moest getuigen voor de onderzoeksrechter, deed Kolonel Palparan een boekje open over de houding van het leger tegenover ontevredenheid. Volgens Kolonel Palparan zijn legale organisaties als BAYAN, Bayan Muna en KARAPATAN niets anders dan kweekvijvers voor de Communistische Partij van de Filippijnen (CPP) en voor het Nieuwe Volksleger (NPA), en die daarom 'geneutraliseerd' moeten worden. Gevraagd naar wat hij bedoelt met 'neutralisering', zei hij, hen 'uitnodigen om weer te plooien' in de gewone maatschappij en de activiteiten terug te schroeven, of 'hun aantallen terug te brengen'. Afgaande op de brutale moorden is het leger kennelijk tot het laatste besloten.

Mensenrechtenschendingen in Oriental Mindoro
(januari 2001-2003)
Moorden 18 Vervolging 66
Mislukte moordaanslagen 4 Fysiek geweld 16
Ongericht schieten 5 Dwang 38
Verdwijningen 5 Gedwongen evacuatie 26
Illegale arrestaties 23 Illegale huiszoekingen 22
Marteling 16 Gebruik van burgers in militaire operaties 11

Kolonel Palparan is geen geval apart. Zelfs na de bekendwording van de flagrante schendingen door zijn bataljon werd hij tot Brigadegeneraal gepromoveerd door President Macapagal-Arroyo. Zijn ideeën vinden weerklank in een artikel in het nummer van het eerste kwartaal 2003 van 'Ang Tala' (De Ster), een blad van de het Leger van de Filippijnen. Daarin wordt gezegd: “Hoewel de invloed van Bayan Muna nog te hanteren is, heeft het leger een strategie nodig, om deze bovengrondse propaganda-afdeling van de CPP-NPA aan te pakken.” Het artikel beveelt het leger aan een contraorganisatie op te zetten en het beweert dat de goed georganiseerde activiteit van de legale Bayan Muna Partij speciale operaties vereist, waaronder 'neutralisering'.

De internationale Federatie van Journalisten (IFJ) sloeg alarm over de moorden op Filippijnse journalisten en verklaarde, dat het land gevaar loopt “tot het nieuwe Colombia te worden, tot een van de gevaarlijkste plaatsen om als journalist te werken”. Sinds 1986 zijn 71 journalisten vermoord in de Filippijnen, waarvan 13 in de laatste twee jaren. Het is onrustbarend zegt de IFJ, dat geen van de moorden sinds 1986 op mediawerkers is opgelost. Dit soort geweld, dat ongetwijfeld politiek gemotiveerd is, vormt een serieuze bedreiging voor de veronderstelde persvrijheid in de Filippijnen. Melinda Quintos-de Jesus, Directeur van het Center for Media Freedom and Responsibility, zei, dat de moorden de onvolwassenheid van ons hele systeem weerspiegelen, waar machthebbers noch publiek “in staat zijn een beschaafde dialoog te voeren”.

De regering gaat door, de repressie te verhevigen door de Antiterrorismewet te promoten, een wet geïnspireerd op de Patriotic Act, die in de VS werd aangenomen onmiddellijk na de gebeurtenissen van 11 september 2001. De Antiterrorismewet, die werd ingediend door Imee Marcos, de dochter van de voormalige dictator, staat toe, dat ambtenaren vermeende terroristen bespioneren en informatie verzamelen uit telefoongesprekken, e-mails en sms-berichten. Een verdachte kan dan tot 72 uur worden vastgehouden zonder contact met een advocaat of kennisgeving aan familie, in plaats van de huidige 36 uur. Vanwege de zeer ruime definitie van terrorisme kunnen zelfs vreedzame demonstraties en stakingen worden aangemerkt als terroristische activiteiten.

In augustus 2002 bestempelde President Macapagal-Arroyo drugsverslaafden, criminelen en “zij die fabrieken, die werkgelegenheid verschaffen, terroriseren” tot doelwit van de oorlog tegen het terrorisme. Strijdbare vakbonden worden in het bijzonder aangepakt door het uiteenjagen van picketlines, laster, surveillance en het uitschakelen van leiders. Regeringsfunctionarissen en managers van bedrijven werken vaak samen om te voorkomen, dat bestaande arbeidswetten worden nageleefd, terwijl de politiek van 'geen vakbond, geen staking' in bepaalde industriële zones zeer zwaar in strijd is met de grondwettelijke vrijheid van organisatie van de arbeiders.

De burgerrechten van buitenlanders worden ook gekortwiekt. Buitenlandse ingezetenen en bezoekers is met het oog op de 'nationale veiligheid' het recht ontzegd op vreedzame wijze deel te nemen aan protestbijeenkomsten van de Filippijnse armen. Zelfs papieren verklaringen hebben gefungeerd als grond voor deportatie of het intrekken van visa.

KADER 3:
EEN INHEEMS GEZIN IN MANGYAN UITGEMOORD

In Sitio Talayog, San Nicolas, Magsasay, West Mindoro, een afgelegen boerendorpje, maakt in de vroege morgen van 23 juli 2003 een jong gezin zich klaar om naar het werk te gaan. Volgens een getuige, begonnen vier soldaten in het wilde weg te schieten op het huis waarbij eerst een driejarig jongetje, John Kevin, werd gedood. De 25 jarige vader, Rogelio, probeerde zijn anderhalfjarige zoon Dexter met zijn eigen lijf te beschermen voor het geweervuur, maar hij en zijn zoon kwamen om in de kogelregen. Olivia, de moeder van 19 jaar, acht maanden zwanger van haar vierde kind, kwam ook om, terwijl ze haar kinderen probeerde te beschermen. Hun dochter Len-len was de enige overlevende; zij kreeg een kogelwond in een hand.

De getuige, een zuster van Olivia smeekte de soldaten op te houden en medelijden te hebben met het gezin, maar tevergeefs. De soldaten gaven bevel de lichamen naar het ziekenhuis te brengen. De vier soldaten maakten deel uit van een groep van twintig van het 16e Infanteriebataljon onder leiding van 1e luitenant Danilo Escandor van de 204e Brigade die in het dorp gelegerd was. Kolonel Fernando Mesa, de commandant van de 204e Brigade van het Filippijnse leger, ontkende het incident niet, maar zei, dat het voortkwam uit een treffen tussen het leger en de NPA in Burirwan. Getuigen echter verklaarden, dat het NPA niet in hun gebied opereerde. Het opperhoofd van de Barangay zei dit ook en wees er op, dat hun gemeenschap altijd vreedzaam was.

TOENEMENDE MILITARISERING EN MILITARISME

De enorme invloed die het leger kreeg tijdens het bewind van Marcos is nooit meer verdwenen. Zelfs niet na het opheffen van het krijgsrecht. De begroting van het Ministerie van Defensie behoort tot de drie grootste. In 2002 bijvoorbeeld, kreeg het leger 63 miljard pesos, dat is 8,5% van de totale begroting van 742 miljard pesos, terwijl maar 1,6% naar de gezondheidszorg ging. In de politiek naar de revolutionaire beweging heerst het militaire denken; in plaats van na te gaan waar de maatschappelijke onrust vandaan komt, wordt een toename van de invloed van het NPA en van het MILF beantwoord met toenemende militarisering van het platteland en van die gebieden waar de revolutionaire strijdkrachten sterk zijn.

In gebieden waar het leger actief is, neemt ook de schending van mensenrechten toe. Burgers worden het zwaarst getroffen door getreiter van soldaten, illegale huiszoekingen, voedselblokkades en de vernieling van eigendommen. Een van de dingen die vaak voorkomen, is gedwongen overgave, hetgeen betekent dat het leger burgers dwingt zich te presenteren als rebellen, die zich hebben overgegeven.

Een duidelijk voorbeeld van de impact van de militarisatie op de verarmde burgerbevolking zijn de Moro, of de moslims van Mindanao, die het armst zijn van heel de Filippijnen, ondanks dat hun land rijk is aan olie, gas, metalen en de grond zeer vruchtbaar is. De voortdurende militaire operaties doen hun armoede bestendigen, jaagt honderdduizenden van huis en haard en vernietigt de bouwgrond. Bijna een miljoen mensen werd verdreven tijdens de totale oorlog van President Joseph Estrada in 2000 tegen het MILF in centraal Mindanao. Drie jaar later, onder President Arroyo, werden om dezelfde redenen bijna 400.000 mensen uit dat gebied geëvacueerd in de eerste zes maanden van 2003. De mensen vluchtten naar meer dan 200 'evacuatiecentra' in minstens acht provincies en drie steden, waarvan geen enkele voldoende onderdak, sanitair, voedsel en water kon verschaffen. En dan tellen we nog niet mee die toevlucht zochten bij familie. De evacués vallen ten prooi aan honger, ziekten en dakloosheid. Minstens 215 vluchtelingen, velen van hen kinderen, zijn in de evacuatiecentra omgekomen door ziekten, die gemakkelijk bestreden hadden kunnen worden, wanneer er geld was geweest voor ziekenzorg.

WANKEL VREDESPROCES

De militaire benadering komt ook tot uiting in de slappe houding van de regering ten opzichte van het vredesproces met de gewapende revolutionaire groeperingen. Toen President Gloria Macapagal-Arroyo in januari 2001 aan de macht kwam, lag het vredesoverleg met zowel het MILF en het NDF op zijn gat. Haar voorganger, President Estrada, had de Comprehensive Agreement on Respect for Human Rights and International Humanitarian Law (CARHRIHL), welke hij samen met het NDFP in 1998 ondertekende, niet uitgevoerd.

Hoewel President Arroyo kort na haar aantreden de vredesonderhandelingen met het NDF en het MILF in 2001 hervatte, heeft dat nog niet veel opgeleverd. In juni 2001, nadat het NPA voormalig congreslid en kolonel bd Aguinaldo, sinds de dagen van dictator Marcos een notoir schender van mensenrechten, wiens misdaden in het klimaat van straffeloosheid zonder gevolgen waren gebleven, uit de weg had geruimd, kondigde de regering een reces af in de vredesonderhandelingen met het NDF. De gesprekken met het MILF sleepten zich voort totdat het massale offensief van het regeringsleger tegen de gebieden van het MILF, begin 2003, de geloofwaardigheid van de regering aan de onderhandelingstafel ondermijnde.

In februari 2003 stelde de Filippijnse regering een 'nieuwe benadering' voor naar het NDFP, waardoor alle sedert tien jaren gemaakte afspraken tussen beiden teniet zouden gaan. Oorspronkelijk zouden de fasen van het vredesproces opeenvolgend op elkaar steunen. Men had in 1992 vier fasen afgesproken:

Het nieuwe voorstel van de regering is een ordinair 'graag of niet' aanbod met een looptijd van zes maanden waarin van het NDFP geëist wordt, het gewapend verzet onmiddellijk te staken.

De regering behandelt het MILF op gelijke wijze. Zij ziet het militair conflict slechts als een 'ordeprobleem' en voor haar bestaat de weg naar vrede eenvoudig uit de gewapende revolutionaire organisaties te overtuigen de wapens neer te leggen, zonder in te gaan op de grondoorzaken van de problemen van het land.

TEKENEN VAN EEN VERDIEPING VAN DE BINNENLANDSE CRISIS

De verslechtering van de mensenrechtensituatie, de escalatie van het gewapend conflict met de revolutionaire groeperingen en het wankelende vredesproces zijn uitingen van de ernstige en diepgaande politieke en economische crisis. Hoewel de verwachtingen gespannen waren na de verdrijving van President Estrada in januari 2001, viert de corruptie nog steeds hoogtij en is er geen begin gemaakt met een beleid ter verbetering van de economische situatie van de meerderheid (en meest getroffen sectoren) zoals de arbeiders, de boeren, de arme mensen in de steden, de vissers en de inheemse volkeren. Integendeel, de economische omstandigheden van deze mensen verslechtert nog steeds.

De meest spectaculaire uiting van de politieke crisis was de opstand van ongeveer 300 soldaten van het regeringsleger in het Makati, Metro Manila hotel op 27 juli 2003. Hun grieven betroffen in hoofdzaak de corruptie van hoge officieren in het leger, het lage soldij en onvoldoende bevoorrading van de gewone soldaat en de beschuldiging van voormalig Minister van Defensie, Angelo Reyes en andere topmilitairen van het beramen van bomaanslagen in Mindanao in 2003, waarbij vele onschuldige burgers omkwamen, teneinde de voorwaarden voor een verscherpte militarisering en een nieuwe afkondiging van het krijgsrecht af te dwingen. De leiders van de groep gaven vanuit hun gevangeniscellen een verklaring uit die zegt, dat zij door hun werk als voetvolk in contact zijn gekomen met de diepgaande problemen van de Filippijnse maatschappij, de corruptie binnen de regering en de strijdkrachten en dat zij zich realiseerden dat het huidige politieke stelsel alleen ten dienste staat van een rijke elite.

De alledaagsheid van corruptie en vriendjespolitiek maakt een karikatuur van de zogenaamde democratie. De verschillende politieke clans liggen tijdens de verkiezingen met elkaar overhoop vanwege zeer lucratieve posten die te vergeven zijn, maar de basisbehoeften van hun kiezers, die overwegend arm zijn en gebrek hebben aan de meest elementaire voorzieningen, laten hen koud. Er zijn plaatsen waar de mensen bestuurd worden door een burgemeester en een provinciale gouverneur die direct familie van elkaar zijn, terwijl andere familieleden van hen ook nog in het congres en de senaat zetelen.

Volgens de Wereldbank heeft de Filippijnse regering 48 miljard VS-dollar verloren aan misbruik en corruptie in de afgelopen 20 jaar. Het land is gedaald van plaats 77 naar plaats 92 op een lijst van 133 landen, gesorteerd volgens de perceptie van corruptie van het in Londen gevestigde Transparency International (TI). De Filippijnen kregen een 2,5 op een schaal van 1-10, net 1,2 punten boven het meest corrupte land ter wereld.

Decennia van koloniaal en neokoloniaal mismanagement hebben de Filippijnse economie opgezadeld met een buitenlandse schuld van 56,1 miljard VS-dollar, oftewel zo'n 3 triljoen pesos. Hoewel de Filippijnen een voedselexporterend land waren, is het nu afhankelijk van import om de eigen bevolking van voedsel te voorzien. Banen in de landbouw, nog steeds de belangrijkste bron van inkomen voor de Filippino's en vooral de armen onder hen, verdwijnen. De officiële werkloosheid bereikt in juli 2003 een ongekende hoogte van 12,7% van de arbeidende bevolking, oftewel 4,35 miljoen Filippino's stonden geregistreerd als werkloos. Veel 'tewerkgestelden' zijn in feite kleine scharrelaars, die sigaretten, snoep en andere artikelen op straat aan de man proberen te brengen. Nog meer mensen hebben geen volledige baan-20,8% in hetzelfde onderzoek-of hebben geen vast inkomen en zijn aangewezen op los werk om te overleven.

Zelfs zij die een baan hebben, voelen de last van de verdiepende economische crisis. Cijfers van het Ministerie van Arbeid en Werkgelegenheid tonen aan, dat 2.695 (41%) van de 6.603 commerciële vestigingen, die tussen januari en maart 2003 werden geïnspecteerd, nog steeds niet het wettelijk minimumloon, een 13e maand, overwerk en andere wettelijke voorzieningen uitbetalen.

Vanwege het tekort aan redelijk betaalde banen heeft een toenemend aantal Filippino's van 2.444 per dag of een gemiddelde van 73.000 per maand, in 2002 het land verlaten, om elders een baan te zoeken en in hun levensonderhoud te voorzien. Deze buitenlandse Filippino arbeiders zijn bijzonder gevoelig voor schending van hun rechten, omdat de Filippijnse overheid onmachtig of niet van zins is, hen de nodige bescherming of verdediging te verlenen, wanneer zij verkeerd behandeld worden. Bovendien nemen de beste dokters, verpleegkundigen, ingenieurs, onderwijzers en computerexperts aan deze exodus deel en berooft zo de Filippijnen van het zo broodnodige talent en hun gezinnen van hun aanwezigheid.

De crisis strekt zich uit tot de natuurlijke rijkdom van de archipel die in hoog tempo wordt verwoest. De Filippijnse bossen krimpen stelselmatig in, met een gemiddelde van 2% per jaar en nu bedekken ze nog maar 18,6% van het totale landoppervlak, dat was nog 64% in 1920. Destructieve, van chemicaliën afhankelijke monocultuur landbouwtechniek, opgelegd door buitenlandse transnationale ondernemingen, veroorzaken erosie en een giftige vervuiling van grond, lucht en water. De zeeën en de zoetwater ecosystemen worden vervuild en verarmd door overbevissing, vooral door de grote commerciële trawlers wier netten de zeebodem afschrapen en daarbij zelfs koraal en andere natuurlijke visgronden vernietigen. De minerale rijkdommen worden voor een appel en een ei leeg geroofd door buitenlandse mijnbouw bedrijven, die in dagbouw werken en ten koste van het lokale milieu cyanide en kwik gebruiken voor de bewerking van de grondstoffen.

Met het ecosysteem lijdt de grote meerderheid van de Filippijnse mensen, omdat de armoede onmiskenbaar toeneemt. Volgens de meest recente statistieken van de National Statistical Coordination Board leeft 34% van de bevolking, oftewel 26,5 miljoen Filippino's, beneden het officiële bestaansminimum, dat belachelijk laag is begroot op 11.605 pesos per persoon per jaar, dat wil zeggen 32 pesos of 0,6 VS-dollar per dag. Deze cijfers stammen uit 2000 en laten in vergelijking met 1997 een toename zien van het aantal armen. De gelederen van de armen zijn in slechts drie jaar toegenomen met 2,5 miljoen. Wanneer we een fatsoenlijker armoededrempel gebruiken, dan schat IBON, een onafhankelijk onderzoeksinstituut, dat 88% van de Filippino's als arm beschouwd zou moeten worden.

Het is onloochenbaar dat de levensomstandigheden van het Filippijnse volk verslechteren. De Human Development Index, een maatstaf van het Ontwikkelingsprogramma van de VN (UNDP) om de landen langs te leggen, toont aan, dat de Filippijnen tussen 1999 en 2001 zijn afgezakt van 70 naar 85 op deze schaal. Hieruit blijkt dat, terwijl de levensomstandigheden verslechteren, de Filippijnse regering geen stap van betekenis vooruit heeft gezet naar de oplossing van de fundamentele maatschappelijke problemen. Landloosheid, een corrupte overheid, gedomineerd door grootgrondbezitters en grote zakenlui, en een overheersing van het buitenland op economisch en politiek terrein blijven een plaag voor de Filippijnse maatschappij als geheel. Voor de moslims in Mindanao en de andere nationale minderheden wordt het recht op zelfbeslissing en op de grond van de voorouders steeds belangrijker na eeuwen van onderwerping aan buitenlandse en gouvernementele machten. Ontkenning van deze fundamentele problemen door de regering is olie op het vuur van de revolutionaire beweging van het volk, vooral onder de arbeiders en de boeren, terwijl het volgen van de militaire weg naar vrede de schending van de fundamentele mensenrechten alleen maar verergert.

3. INTERNATIONAAL TERREURKLIMAAT

“We kunnen geen adequate bescherming bieden aan onze burgers en onze strijdkrachten, als we ons alleen maar defensief opstellen… Terrorismebestrijding …heeft de veiligheidssituatie in de regio niet fundamenteel veranderd. …We blijven onze macht en invloed baseren op onze waarden, economische vitaliteit, onze wens een partner te zijn in deze kritieke regio en op de vooruitgeschoven strijdkrachten van USPACOM.”

- U.S. Pacific Command Commander Dennis C. Blair

In deze tijd van globalisering kan het dilemma van het Filippijnse volk alleen correct geanalyseerd worden in een internationale context. De Filippijnen worden diep geraakt door de ontwikkelingen op wereldvlak. De nauwe relatie van het land met de VS, de voormalige kolonisator, heeft het land gemaakt tot lakei nummer één in Zuidoost Azië in de 'war on terror' van de VS, hetgeen op zijn beurt verstrekkende gevolgen heeft op de binnenlandse situatie.

Acht dagen na 11 september 2001 was de Filippijnse President Gloria Macapagal-Arroyo de eerste Aziatische leider die achter de globale 'war on terrorism' van de regering van Bush ging staan. Terwijl andere Aziatische leiders gereserveerder waren in hun steun aan de Amerikaanse agressie tegen Afghanistan en Irak, stelde de Macapagal-Arroyo regering de voormalige Amerikaanse bases Clark en Subic Bay beschikbaar voor aanvallen op Afghanistan, en in 2003 bood zij aan, op kosten van de Filippijnse regering, een contingent soldaten en ander personeel te zenden om de bezettingsmacht in Irak te ondersteunen.

De loyaliteit van de Filippijnse regering aan de agressieve internationale campagnes van de VS heeft binnenslands enorme gevolgen, waardoor verdere erosie van de burgerlijke vrijheden en schending van de mensenrechten toenemen.

DE FILIPPIJNEN - HET TWEEDE FRONT EN DE TERUGKEER VAN HET AMERIKAANSE LEGER

Direct na het begin van de Amerikaanse aanvallen op Afghanistan in oktober 2001, verklaarde de Amerikaanse regering de Filippijnen tot “tweede front” in de “war on terror”. De Abu Sayyaf Group (ASG), een kleine bende van criminelen, die in Mindanao opereert, werd bestempeld tot terroristische dreiging en als plaatselijke tak van het Al-Qaida netwerk. In werkelijkheid echter, zoals president Gloria Macapagal-Arroyo zelf zegt, wijst niets er op, dat er sedert 1995 betrekkingen zouden bestaan tussen Abu Sayyaf en het netwerk van Osama bin Laden.

Het ironische is, dat de islamitisch fundamentalistische oriëntatie van de oprichters van Abu Sayyaf en de 'terroristische' manieren en methodes die Abu Sayyaf vooral gevreesd maken, in feite het directe gevolg zijn van de Amerikaanse buitenlandse politiek. De oorspronkelijke oprichters van Abu Sayyaf maakten deel uit van de moslim-Filippino's uit Mindanao, die begin jaren tachtig werden gerekruteerd en getraind door de Central Intelligence Agency (CIA) om te vechten in de door de CIA gesponsorde geheime oorlog van de VS in Afghanistan tegen de Sovjetunie die Afghanistan in 1979 binnenviel. De eerste leden van Aby Sayyaf hebben mogelijk samengewerkt met Osama bin Laden als rekruten van de CIA in de Afghaanse oorlog. Daarom, als je al zou kunnen spreken van een verband tussen Abu Sayyaf en Osama bin Laden, dan is dat de CIA zelf. Abu Sayyaf is een CIA-monster, niet het werk van bin Laden.

Er zijn meerdere aanwijzingen, dat er geheime banden bestaan tussen Abu Sayyaf en het Filippijnse leger. Het meest schokkende bewijs hiervoor is de ontsnapping op 2 juni 2001 van leiders en leden van Abu Sayyaf uit het Dr Jose Torres Hospitaal in Lamitan, Basilan. Ooggetuigen vertelden, dat de ASG-leden, die een gijzeling uitvoerden in het ziekenhuis, omsingeld waren door zwaar bewapende Filippijnse troepen. Desondanks konden zij open en bloot met hun gijzelaars ongestoord wegwandelen, nadat een som geld van eigenaar gewisseld was. Het lijkt er op, dat de groep bandieten een effectief instrument is in de handen van het Filippijnse leger om terreur en tweedracht te zaaien onder de Moro bevolking en om legitieme Moorgroepen die strijden voor zelfbeschikking in diskrediet te brengen.

Hoewel Abu Sayyaf voor de Filippijnse regering nooit een bedreiging vormde, laat staan voor de VS, is hij gebruikt ter rechtvaardiging van de dramatisch versterkte militaire samenwerking tussen de VS en de Filippijnen. Bij het bezoek van de Filippijnse president Gloria Macapagal-Arroyo aan het Witte Huis in november 2001, kondigde Bush een pakket van militaire steun aan van 92,2 miljoen VS dollars voor de Filippijnen, waaronder een C-130 transport vliegtuig, 8 Huey helikopters, een patrouilleboot en 30.000 M-16 machinegeweren met munitie.

In januari 2002 kwamen de VS met Balikatan 02-1, wat zogenaamd een gecombineerd VS-Filippijnse militaire oefening zou zijn, en wel precies in Basilan, waar Abu Sayyaf zijn gijzelaars vasthield, waaronder het Amerikaanse missionarisechtpaar Gracia en Martin Burnham. De Amerikaanse Minister van Defensie, Colin Powell, zei het zo: “Amerikaanse militaire instructeurs zullen de Filippijnse regering en de Filippijnse strijdkrachten helpen bij het bestrijden van de terroristische dreiging, die zowel hun als onze belangen schaadt”. Om de verdere militaire uitbreidingen te rechtvaardigen, verwees president George W. Bush zelfs naar de bende van kidnappers als zijnde “terroristen met banden naar Al-Qaida die proberen zich meester te maken van het zuidelijk deel van het land om daar een militair regiem te vestigen”.

Hoewel het een militaire oefening zou moeten lijken, gingen de US Special Operations Forces samen met Filippijnse troepen op patrouille en, zeer uitzonderlijk, vond de 'oefening' plaats in een gebied waar voortdurend gevechten zijn tussen regeringstroepen en de Moro. Een internationale onderzoeks- en solidariteitsmissie, die op het eind van de 'oefening' in juli 2002 Basilan in Zamboanga City bezocht, maakt melding van mensenrechtenschendingen en van een gezamenlijke militaire actie, waarbij een ongewapende moslimburger door een Amerikaanse soldaat werd doodgeschoten tijdens een nachtelijke aanval op zijn huis. De onderzoeksmissie denkt, dat Balikatan 02-1 pas het begin is, omdat de VS van plan zijn om hun militaire aanwezigheid en activiteiten in de Filippijnen uit te breiden en te bestendigen.

Balikatan 02-1 riep sterke protesten op van progressieve en nationalistische groeperingen in de Filippijnse maatschappij. Vice-president Teofisto Guingona werd zonder plichtplegingen gedumpt als Minister van Buitenlandse Zaken vanwege zijn openlijk verzet tegen permanente aanwezigheid van het Amerikaanse leger in de Filippijnen. Volksorganisaties, kerkelijke groeperingen en vredesverbanden organiseerden massale protestacties in Manilla en andere delen van het land.

DE TERRORISTENSMOES

Van begin af aan was duidelijk, dat Abu Sayyaf niet het echte doel is. De deelneming van de Filippijnen aan de “war on terror” gebeurt met het oog op twee veel belangrijkere binnenlandse conflicten: de gewapende strijd van de NPA en het MILF. Beide gewapende verzetsbewegingen wortelen in puur lokale grieven zoals landloosheid, gebrek aan democratie en schending van de mensenrechten en zij hebben een zeer grote massa-aanhang; zij vormen in de Filippijnen dan ook het voornaamste doelwit in de “internationale oorlog tegen de terreur”.

De retoriek over terroristen werd in eerste instantie gericht tegen de CPP en de NPA. Op 9 augustus 2002 brandmerkte de Amerikaanse Minister van Buitenlandse Zaken, Colin Powel, de CPP/NPA tot een Buitenlandse Terroristen Organisatie omdat die “zich sterk kant tegen elke vorm van aanwezigheid van de VS in de Filippijnen en Amerikaanse burgers heeft gedood”. Powell spoorde ook andere regeringen aan om hetzelfde te doen. Drie dagen later brandmerkte het Amerikaanse Ministerie van Financiën Jose Maria Sison, oprichter van de CPP en sinds 1987 als politiek vluchteling woonachtig in Nederland, tot buitenlandse terrorist wiens rekeningen dienden te worden bevroren.

De Europese Unie volgde gedwee en op 28 oktober 2002 voegde zij de NPA en Jose Maria Sison, erkend politiek vluchteling, toe aan haar lijst van terroristische personen en groepen. Op dat moment werd het banktegoed van Sison bevroren en zijn minimale uitkering voor levensonderhoud door de Nederlandse overheid ingetrokken.

Hoewel het MILF nog op geen enkele terroristenlijst voorkomt, heeft de Filippijnse regering herhaaldelijk gedreigd daar werk van te zullen maken. De regering gebruikte ook de retoriek van de Amerikaanse President Bush over een 'preventieve oorlog tegen het terrorisme' toen zij, begin 2003, precies één dag voor de ondertekening van een vredesverdrag tussen de groeperingen, grote aanvallen lanceerde tegen het MILF in de stad Pikit. De Filippijnse regering beweert, dat er uitgebreide contacten bestaan tussen het MILF en de zogenaamd terroristische organisatie van Jemaah Islamiya, terwijl het MILF elk contact met deze groep ontkent.

Mindanao is recent inderdaad het toneel geweest van terreuraanvallen (waaronder de bomaanslagen op het vliegveld en de scheepswerf van Davao City), maar er zijn geen geloofwaardige aanwijzingen voor de betrokkenheid van het MILF daarbij. Ironisch genoeg was Michael Meiring, een CIA-agent, de enige met explosieven die in Davao gepakt werd ten tijde van de bomaanslagen, toen hij per ongeluk zijn hotelkamer opblies. Dat hij daarna, voordat hij kon worden gearresteerd, door Amerikaanse functionarissen stiekem het land is uitgewerkt, maakt de terreur retoriek nog meer verdacht.

Regeringskringen waren er altijd als de kippen bij om bijna iedere bomaanslag in de schoenen te schuiven van het MILF. De regering Arroyo grijpt elke mogelijkheid tot brandmerking van terrorisme aan als een politieke hefboom tegenover de rebellen. Nu verzoeken de VS expliciet om meer betrokken te worden in de onderhandelingen tussen het MILF en de Filippijnse regering, om een in wezen binnenlands conflict effectief te internationaliseren.

Voorstanders van vrede zeggen, dat de terreur retoriek het vredesproces ernstig in gevaar brengt. Vice-president Teofisto Guingona, bijvoorbeeld, vindt het brandmerken van de NPA en van Jose Maria Sison een groot obstakel, dat verwijderd moet worden alvorens de vredesonderhandeling met het NDF hervat kunnen worden. Zulk brandmerken verlaagt de revolutionaire bewegingen tot het niveau van gewone criminelen en dient ter rechtvaardiging van een militaire benadering van een decennia oud gewapend conflict, die uiteindelijk slechts de misère van de burgerbevolking op het platteland zal vergroten.

EEN PION VAN DE VS OP HET GROTE WERELD-SCHAAKBORD

Direct vanaf het begin van Balikatan 02-1 in januari 2002 namen, in elkaar afwisselende groepen van soms enkele duizenden, Amerikaanse soldaten deel aan de 'oefeningen' in de Filippijnen. De militaire hulp van de VS aan de Filippijnen is van 38,3 miljoen VS-dollar in 2001 tot 114,46 miljoen VS-dollar in 2003 waarmee de Filippijnen op de vierde wereldranglijst staat van landen die Amerikaanse wapenhulp ontvangen. De Filippijnen is het grootste 'troetelkind' van het U.S. International Military Exercise and Training Program in Azië. De presidenten van beide landen zijn in 2003 bij elkaar op bezoek geweest en de VS hebben de status van de Filippijnen verhoogd tot 'belangrijkste niet-NAVO-bondgenoot', hetgeen wil zeggen, dat de militaire en veiligheidsbetrekkingen tussen de VS en de Filippijnen sinds de koloniale tijd nog niet zo nauw zijn geweest.

Het Visiting Forces Agreement (VFA) uit 1999 dat de legering van Amerikaanse troepen in de Filippijnen toestaat, werd in 2002 gevolgd door het Mutual Logistics Support Agreement (MLSA), wat de Amerikanen in de gelegenheid stelt door het hele land hun logistiek netwerk op te zetten. De combinatie van beide overeenkomsten, waarvan het de vraag is of ze niet tegen de grondwet indruisen, veranderen het land in een permanent steunpunt voor het Amerikaanse leger. Daarom is het U.S. Pacific Command volgens zeggen van Admiraal Thomas B. Fargo bezig met de opbouw van “critical tactical mobility platforms” in de Filippijnen, die gebruikt zouden kunnen worden in geval van grote militaire operaties van de VS in de regio.

De Filippijnen zijn van cruciaal belang voor de algemene overplaatsing en verdeling van Amerikaanse troepen in Azië volgens besluiten die stammen van lang voor de gebeurtenissen van 11 september 2001. In het Quadrennial Defense Review van 2001 staat, dat de verdeling van Amerikaanse troepen over de wereld, met zijn concentratie in West Europa en Noordoost Azië inadequaat is voor de nieuwe strategische situatie, waarin de belangen van de VS mondiaal zijn geworden en gevaren uit andere delen van de wereld dreigen.

Het document ziet Oost Azië als een bijzonder gevaarlijk gebied, omdat “de dichtheid van Amerikaanse bases en infrastructuur lager is dan in andere kritieke regio's”. Ook zijn de VS daar minder zeker van de beschikbaarheid van faciliteiten.” De aanwezigheid van een “potentieel gelijke concurrent” (een verwijzing naar China) vormt de belangrijkste bedreiging voor de macht van de VS in de regio.

Daarom zijn de Filippijnen tot een pion geworden in het spel van de VS voor hun heerschappij onder de dekmantel van de “war on terror”. De VS willen hun aanwezigheid in de Filippijnen gebruiken als een afschrikking - en zonodig als lanceerplatform - tegen regionale machten als China, Indonesië en Maleisië. Bovendien hebben zij beloofd de controle van de grote Amerikaanse bedrijven over handelsroutes, grond, markten en natuurlijke rijkdommen in Zuidoost Azië te verzekeren. Daarbij maken de VS zich ongerust over de groei van de binnenlandse revolutionaire strijdkrachten in de Filippijnen, omdat die de Amerikaanse invloed op de economie en de politiek van dat land bestrijden. Hun militaire 'samenwerking' en aanwezigheid is daarom zonder twijfel gericht tegen het MILF en de CPP/NPA en zelfs tegen de legale democratische massabeweging die het voorwerp wordt van toenemende politieke repressie.

De internationalisering van binnenlandse conflicten en het militaire ingrijpen in de archipel, beide binnen het kader van de zogenaamde 'war on terror', bergen vanzelfsprekend niets goeds in zich voor de Filippijnse massa's. Integendeel, de soevereiniteit wordt geschonden, wanneer lokale belangen ondergeschikt worden gemaakt aan de belangen en doeleinden van de economie en de militaire oogmerken van de VS. Recente ontwikkelingen tonen duidelijk aan, hoe de gewone Filippino's daarvan te leiden hebben, want hun burgerlijke vrijheden worden ingeperkt, hun mensenrechten geschonden en de vredesinitiatieven gedwarsboomd. De intensivering van de militaire steun en interventie van de VS in de binnenlandse aangelegenheden van de Filippijnen zal slechts meer verdeeldheid, conflict en oorlog brengen en geen vrede.

4. OPROEP TOT ACTIE

Het verleden heeft bewezen, dat internationale solidariteit een belangrijke steun kan geven aan de gerechtvaardigde strijd van het Filippijnse volk. Zij hielp in 1986 dictator Ferdinand Marcos te verjagen en in 2001 Joseph Estrada af te zetten en ook om in 1991 de Amerikaanse militaire bases te sluiten. Daarom richten we deze oproep zowel aan lokale groepen in de Filippijnen als aan geëngageerde groepen en individuen in de wereldbeweging voor recht en vrede.

Wij zijn ervan overtuigd, dat de situatie in de Filippijnen kritiek is, want boeren, vissers, nationale minderheden, werkers en andere gewone mensen lijden onder de steeds ondraaglijker wordende economische crises. Daarbij worden zij het slachtoffer van steeds meer schendingen op politiek, burgerlijk en mensenrechten terrein, vooral nu de zogenaamde 'war on terror' zorgt voor een goede smoes voor een sterkere integratie van de Filippijnen in de imperialistische plannen van de VS. De verhoogde militaire hulp aan de Filippijnen, die hoofdzakelijk bedoeld is ter bescherming van de belangen van buitenlandse investeerders en de lokale elite, brengt ook meer wapens het land binnen, die gericht kunnen worden tegen de meest uitgebuite en weerloze burgers.

Het Filippijnse volk heeft herhaaldelijk dappere initiatieven genomen om deze gevaarlijke trend te keren. Net zoals in de donkere dagen van Marcos in de jaren '70 en '80 komt het samen in bruisende volksorganisaties voor mensenrechten en juridische hulp om zijn rechten te verdedigen en onderzoek te doen en medische hulp te verlenen in strijdgebieden. Dat volk verdient werkelijk onze solidariteit in deze angstwekkende tijden.

Vandaar deze dringende oproep tot actie. Wij richten ons tot kerkleden, gewone activisten, politici, mensenrechtenorganisaties en vredesgroepen, NGO's en geëngageerde groepen en mensen binnen en buiten de Filippijnen. Wij vragen u de ontwikkelingen in de Filippijnen kritisch te volgen en waar nodig in actie te komen.

Wij roepen u op:

Neem voor meer informatie contact op met het Philipine International Forum (PIF) via philint1forum@yahoo.com.

5. HANDTEKENINGEN

Onderstaande mensen hebben deze “Letter of Concern of Foreign Church and Development Workers in the Philippines” ondertekend (31-12-2003):

6. COMITé VAN AANBEVELING

De volgende Filippijnse persoonlijkheden hebben deze “Letter of Concern of Foreign Church and Development Workers in the Philippines” aanbevolen en ondersteunen dit initiatief 31-12-2003):

7. Bronnen

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met het Philippijns International Forum via email: philintlforum@yahoo.com.

De volgende websites bieden informatie en achtergronden over de situatie in de Philippijnen

NIEUWS EN BIJZONDERHEDEN:

VREDE:

MENSENRECHTEN:

SOCIAAL-ECONOMISCHE GEGEVENS:

GESCHIEDENIS:

MORO ISSUES:

REVOLUTIONAIRE BEWEGINGEN: